Na Segou vertrokken we naar Djenné. Djenné (zie album Djenné) is een klein stadje wat geheel is omgeven door de restanten van de stadsmuur en, in de regentijd, door water. De ingang van het stadje wordt gevormd door twee bruggetjes, aan weerszijden van de stad. Djenné is beroemd odoor de leem-architectuur die nog redelijk in tact is of is gerestaureerd, voornamelijk door de inzet van Nederland. Het gehele stadje staat op de wereld-erfgoedlijst van Unesco, wat geld oplevert maar vooral beperkingen met zich meebrengt voor de bewoners. Voor elke nieuwe aanbouw gelden zeer stringente voorschriften, niet alleen voor in de stad maar ook voor daar buiten. Ook is het erg moeilijk iets aan de riolering te doen. Ontwikkelingshulp heeft een voordeel en een nadeel opgeleverd. Het voordeel is betere beschikbaarheid van grondwater. Het nadeel is dat er minder zuinig met water wordt omgesprongen en er veel overtollig water op straat wordt gegooid, waar het zich vermengd met vuil en stof. Hierdoor zijn open riolen ontstaan die niet zomaar mogen worden vervangen door nieuwe riolering. Een aantal jaren terug heeft Nederland een plan opgevat om onder de voorwaarden van de Unesco een rioleringsstelsel aan te leggen. De Nederlandse ingenieurs waren echter niet welkom en het stadsbestuur wilde zelf de uitvoering organiseren met Nederlands geld. Inmiddels is ongeveer de halve stad gerenoveerd maar is het geld op.

Om Djenné te bereiken moet men eerst de Bani oversteken die zich met de hoofdtak en enkele zijtakken om Djenné heen slingerd. De hoofdtak wordt gekruisd door een veerpont. Wachtend op de veerkant zagen we aan de overkant van het water een groot lemen gebouw staan. Het bleek het door de Nederlandse producer/schrijver Ton gebouwde huis te zijn wat hij beschrijft in het boek 'Het zandkasteel'.

In de nevengeulen, die een deel van het jaar droog zijn, vart geen veerboot. Dit leverde problemen op met de Ford Mondeo die vast kwam te zitten in de rivier door het ontbreken van vierwielaandrijving en de geringe hoogligging. Onze Landcruiser ging er gelukkig moeiteloos doorheen, maar trekken van de Mondeo kon niet omdat er aan de voorzijde geen trekogen zijn. Dan maar duwen. Dit ging een aantal meters goed en vrij gemakkelijk, totdat de trekhaak van de mondeo achter de voorbumper van de Landcruiser haakte. Beide auto's stonden nu vast in de rivier. Door de hulp van zo'n 15 afrikanen die langskwamen lukte het uiteindelijk de auto's van elkaar los te tillen. De landcruiser reed naar de overkant en de mondeo werd geduwd. Op de overzijde werd de schade getaxeerd. de Toyota had wat lakschade op de voorbumper en de nummerplaat zat los. De mondeo had een losse bodemplaat en veel schade aan de bumpers. Ook was er water binnengekomen waardoor veel bagage binnen nat was geworden. Maar: op weg naar de bestemming: Djenné.

Vlak voor Djenné vonden we het hotel Djenné-jenno, genoemd naar de oorspronkelijke stad die ooit onderdeel vormde van een machtig rijk maar nu bestaat uit ruïnes op 3 kilometer van Djenné. Na onze spullen te hebben achter gelaten trokke we Djenné in om een gids te zoeken voor de volgende dag. De weg die we volgden leidde bijna automatisch naar het grote centrale plein voor de moskee waar de maandagmarkt wordt gehouden. De moskee is het grootste lemen gebouw van Afrika en waarschijnlijk van de wereld. Het is tevens de grote trekpleister van Djenné. Ook de gids was snel gevonden. Een stevige kerel, die zich 'Boss' liet noemen. Als afstammeling van de familie die al generaties lang in Djenné de burgemeester levert, heeft hij in Djenné aanzien en respect. Andere gidsen dropen dus ook al snel af en ook de volgende dag hebben we geen last gehad van anderen die hun diensten als gids wilden aanbieden.

De volgende dag kwam 'Le Boss', me al vroeg, voor het ontbijt halen op zijn bromer. Ik wilde vroeg zijn om de moskee in het ochtendlicht te kunnen fotograferen. Al voor de afgesproken tijd stond hij met zijn brommer klaar. We beklommen een aantal woningen die vanaf het dak uitzicht boden op de moskee en ik kon in alle vroegte en rust mijn foto's nemen. Daarna bracht hij me terug naar het hotel zodat ik daar, samen met de anderen, kon ontbijten. Vervolgens gingen we met de gehele groep op pad om de 'toeristische' rondwandeling door Djenné te volgen. Halverwege vroeg Boss of we ook in de moskee wilden. We wisten van internet en uit alle toeristengidsen dat dit verboden was voor niet-moslims, dus dat maakte het extra aantrekkelijk. Na het schuiven van flink wat steekpenningen werden we door een bewaker aan de achteringang binnen gelaten. Via het onoverdekte vrouwengedeelte betraden we uiteindelijk het mannengedeelte vn de moskee waar het donker en koel was. De bewaker was, al dan niet gespeeld, bang voor ontdekking en maande ons dus al na enkele minuten weer te vertrekken.

De viezigheid in Djenné wint het niet van de schoonheid van de lemen bouwstijl. Je want je, bij het wandelen door het stadje, in een andere tijd. Het leven is er nog primitief en rustig, wat mogelijk ook te maken heeft gehad met het ontbreken van andere toeristen. Ik vrees dat dit in het toeristenseizoen, december-januari, anders zal zijn.

Restte ons nog de terugreis, de Bani weer over, dit keer in de stromende regen. Deze keer pakten we het anders aan. Met spanbanden koppelden we de beide auto's aan elkaar, de Toyota werd in 4x4 gezet en de diffs werden gelockt. Vervolgens trok de toyota de mondeo zonder al te veel moiete door de inmiddels alweer diepere stroom. Het leidde tot een spontaan dankgebed van Modibo.

Op naar Mopti.