Toen ze het sombere huis aan de Kabbeeksepoort kocht, wist Sylvie absoluut niet wat ze ermee aan moest. Ze had een vaag idee, dat wel. Maar concrete restauratieplannen had ze niet. Ze heeft al die heisa rond het kopen en restaureren van huizen noit begrepen. Die hysterische televisieprogramma's, die designboekje met hun koude interieurreportages, de rijkdom de er van de muren druipt, de zogenaamd moderne kunst aan de witte muren, de goede smaak van de rijkere Belg. Dat soort ons-kent-ons Belg dat nooit in contact komt met andere klassen dan de zijne. (want dat België nog steeds een klassenmaatschappij is, daar is ze van overtuigd).

Het meest van al hekelde ze de loften. Met van die strakke keukens, netjes afgelijnd, met kasten die van de ene hoek van de keuken tot de andere hoek van het salon leiden. Met zo'n mega keukentael in exotisch hardhout. Het lijkt wel of er geen potten noch pannen zijn in zo'n loftkeuken, laat staan bestek. Met veel geluk staat er een vaas met gerber's op die ecologisch totaal foute strakke tafel.

Een huis weerspiegelt zonder twijfel de ziel van zijn bewoners. Een designershuis is leeg, net als het hart van zijn bewoners. Sylvie kent haar pappenheimers. In de designwinkel moet ze ze elke dag bedienen. Ze weet dat de kopers door het kopen van die strakke stukken de leegheid van hun bestaan proberen te compenseren. Sylvie leest het verdriet in hun ogen. Nu kan je haar van veel zonden beschuldigen, maar oppervlakkigheid behoort daar niét toe. Sylvie wil dus een leefkeuken, ze wil de potten zien waarin ze haar delicate gerechten klaarmaakt. Ze wil in contact staan met de elementen, met het glas waarin ze wijn schenkt, met de kruiden die ze kweekt en gebruikt. Als ze kookt, en dat doe ze dagelijks, wil ze alles in de buurt hebben. Ze improviseert graag en daarom zijn visuele impulsen noodzakelijk. Ze wil gewoon voelen waarmee ze bezig is. Zonder dat rechtstreekse contact met haar werkmateriaal, of dat nu keukengerei of voedsel is, kwijt Sylvie gewoon weg.

Terwijl ze nog steeds in de deuropening staat te dromen, herinnert ze zich plots de reden voor de aankoop van dit sombere huis. Deze is heel simpel en ook wel wat voorspelbaar: de keuken deed het 'm. Bij het bezichtigen heeft ze trouwens amper naar de andere ruimtes gekeken. Ze zag niet dat het dak lekte, de toiletten stuk waren of dat de badkamer die naam niet waard is.

Ze zag alleen een keuken. Eentje die duidelijk had geleefd en waarin het aftandse keukengerief van de vorige eigenaar nog een plaats had. Zo kreeg ze een glimp van zijn ziel te zien.

Wat ze ook niet zag, was de volledig rotte plankenvloer in die bewuste keuken. De jonge vrouw wist nog niet dat ze die al heel snel zou moeten vervangen. Tot ze op een dag thuiskwam van haar werk-ze woonde nog maar een aantal weken in het huis-en er een walm vochtige lucht haar tegemoetkwam.

"Chocolat, wat hebt ge nu weer uitgevreten!,"is haar eerste reactie, maar de rosse kater is nergens te zien.

Het wordt algauw duidelijk dat Chocolat er nvoor niks tussen zit. (Hij krijgt wel vaker de schuld voor dingen die hij niet heeft gedaan). De oude plankenvloer, die, we moeten daar eerlijk in zijn, zijn beste tijd heeft gekend, is gewoon van de grond aan het komen. Letterlijk. Hele stukken aarde zijn reeds zichtbaar. Blijkbaar werd vroeger de vloer rechtstreeks op de aarde geplaatst, in een tijd waarin de "chape" nog moest worden uitgevonden. Sylvie went algauw an de wat weëe geur, een mengeling van oud hout, vochtigheid en aarde. Niet echt onaangenaam stelt ze vast. Ze gooit haar handtas op de door houtrot aangevreten keukentafel die ze evnetjes naar de aanpalende eetkamer bant, en begint de planken en hun basis los te trekken. Algauw moet ze naar het schuurtje om wat materiaal bij te halen. Op nog geen uur tijd is de klus geklaard.

Sylvie gaat nu even zitten aan de keukentafel waar de houtrot het nog steeds voor het zeggen heeft, en aanschouwt het slagveld. Tja, nu is ze echt wel verplicht op een nieuwe vloer aan te leggen.

Wat zal het worden: cementegels? gepolierd beton? of godbeterd poly-ethyleen?

Ze ziet haar kans schoon, staat op, veegt de aarde van haar kleren, grijpt haar tas en zonder zich ook maar één blik in de spegel te gunnen verlaat ze het huis met een gezicht vol bruinzwarte vegen.

Een uur later is ze al terug. Met een nieuwe schoffel in de ene hand en een massa kleine zakjes in de andere. Het is donker maar dat belet haar niet om met behulp van het enige peertje dat in de keuken hangt en dat veel te weinig leicht geeft, terug aan het werk te gaan. Weer die tas op weer die tafel en hop, daar gaat ze. Ze schoffelt, ze harkt, ze voert grond uit de tuin aan en algauw begint ze te zaaien en te planten. Haar haren, haar handen, haar kleren, haar laarsjes ...alles is bedekt met stof en aarde, maar dat deert haar niet. Ze werkt gestaag en geconcentreerd verder. Als ze uiteindelijk alles heeft begoten, ontdoet ze zich van haar schoenen. En vervolgens van haar sokken.

Eindelijk, eindelijk heeft ze contact met de aarde. Direct contact. En voor altijd.

Op de radio zingt David Bowie.