Bestemming

De zon vervulde de stad Nijmegen van warmte, terwijl een lange jongeman met half dichtgeknepen ogen zich een weg door het drukke verkeer baande. In zijn handen droeg hij zijn geheel overbodige jas. Enigszins vertwijfeld keek hij om zich heen om te ontdekken waar hij nu precies was. Hij sloeg een laatste hoek om voor hij een plein opstapte, en voor hem doemde zijn bestemming op. De zon weerkaatste op de vele ruiten in het gebouw, en de jongen was voor een klein moment verblind, alvorens hij zijn bruine ogen van het gebouw afwendde, en op weg naar de ingang van het museum ging. De vele pijlen op de muren en ramen maakten de ingang makkelijk te vinden, en al snel bevond hij zich in de koele, helder verlichte ontvangsthal. De zware, glazen deur viel achter hem dicht, en een man van middelbare leeftijd keek op van het papier dat voor hem lag.
“Goedemiddag”, zei de jongen, waarna hij op de balie afstapte.
“Middag, kan ik je helpen?”
“Graag, zou ik één kaartje mogen alstublieft?”
De man wierp nog even vluchtig een blik op het computerscherm links van hem, voordat hij bevestigend antwoord gaf. Geld wisselde van handen, en het bonnetje verdween in de broekzak van de jongen. Na een korte stop in de garderobe, stapte hij de vele treden van de trap op richting de zalen van het museum. Ietwat trekkend met zijn rechterbeen kwam hij boven op de trappen aan. Even keek hij geërgerd, terwijl hij zich de stem van zijn moeder herinnerde.
Hoe kun je nou vergeten je enkel in te tapen, Bas?” Na even wat te draaien met zijn enkel, in de hoop het gewricht iets minder gevoelig te maken, stapte hij door. Voorzichtig opende hij opnieuw een glazen deur en hij stapte naar binnen. In zijn ooghoeken zag hij een van de opzichters zitten, maar verder leek de brede gang verlaten.
“Waar gaan we eerst heen?”, fluisterde de jongen in zichzelf, waarna hij op goed geluk links afsloeg.

Bas liep de afdeling oudheid binnen, en al snel liep hij langs verschillende verzamelingen van potten, munten, grafstenen en oude wapens. Terwijl hij al rondkijkend door een van de gangen liep, werd zijn aandacht echter vrijwel onmiddellijk getrokken door iets wat leek op een helm, waaraan tevens een gezichtsbeschermer in de vorm van een masker was verbonden. Even vertwijfelt bleef hij staan kijken naar het masker. Het was goed bewaard gebleven, op wat kleine aspecten na, zoals de verweerde bronslaag. Hij liet zijn ogen kortstondig over de ooggaten in het masker glijden.
Knipper.
De zon weerkaatste fel op de bronslaag van het masker, maar de man besefte zich dat hij weinig tijd had om zich door dat soort dingen te laten storen. Wacht, welke bronslaag?
Het rumoer van schreeuwende mannen en stampende paarden vulde zijn oren, terwijl de smaak van zijn zweet zijn mondhoeken vulde. Warmte? Was er geen airconditioning?
Hij ving een glimp op van beweging voor hem, en met een reflex gooide hij zijn ronde schild omhoog. Het zwaard van de man met de bronzen helm ketste met een dof geluid af op het hout. Vaag kriebelde er iets in zijn geheugen, alsof hij niet helemaal op zijn plaats was, maar de rest van zijn gevoelens beweerden het tegendeel. Met volle overtuiging maakte hij gebruik van de beweging van zijn vijand, om met zijn korte zwaard furieus uit te halen naar diens nek. De bronzen vijand schreeuwde terwijl hij tegen de grond ging. Snel deed hij een stap naar achter, om het schouwspel voor hem te overzien. Overal om hem heen waren gevechten te zien, en overal daartussen bevuilden de lijken van mannen de grond.
“Theodorus, achter je!” Hij herkende de stem van een man die hij niet behoorde te kennen, en hij dook naar voren, waarna hij een zwaard vlak over hem heen voelde zoeven. Hij rolde overeind, en zag een speer door de borst van de tweede gehelmde figuur steken.
“Wat sta je te slapen man, kom ons helpen!”, schreeuwde een gebaarde man terwijl hij zijn speer lostrok uit de borst van de zojuist gevallen soldaat.
“Henricus…natuurlijk! Voor de Adelaar!” schreeuwde Theodorus.
Knipper.
Een hand rukte ruw aan zijn schouder, waardoor hij omgedraaid werd. Vlak voor hem stond de opziener met een boze blik in zijn ogen.
“Wat is er met je aan de hand? Sta niet zo te schreeuwen.”, zei de opziener op strenge toon.
De jongen keek een moment bevreemd, waarna hij mompelend een excuus uitte. Ondertussen leken zijn gedachten hem in tweeën te splitsen. Wat was dat? Het leek wel een droom, maar hij was er toch zeker van dat hij niet had staan slapen.
“Als je verder rustig blijft, kun je doorlopen, maar herhaal dat geintje niet nog eens.” De opziener leek even te blijven staan wachten om te kijken of hij inderdaad door zou lopen, dus besloot hij dat maar te doen.
“Theodorus…”, fluisterde de jongen. Het kwam hem zo bekend voor, het voelde zo natuurlijk aan. Vrijwel meteen onderdrukte Bas dat gevoel, al was het maar omdat hij dat gevoel van herkenning nog wel het meest onnatuurlijke van dit alles vond.

Nog een beetje in zichzelf gekeerd wendde Bas zich naar de ingang van een nieuwe zaal, weg van de wapens en alle andere oorlogsgerelateerde vondsten. Om zich heen kijkend realiseerde hij dat hij zich bevond in de sieradenzaal. Sieraden, die hadden misschien niet het avontuurlijke gevoel van zwaarden en speren, maar ze waren een veilig onderwerp, ver weg van oorlog. De tijd had veel van de voorwerpen van hun schoonheid benomen; door de hele ruimte lagen armbanden en ringen verspreid die niet meer als versiering door zouden kunnen gaan. Zijn blik trok vrij vlug over verscheidene voorwerpen, maar een spiegel van een voet lang trok zijn aandacht. Een veilig voorwerp, een voorwerp dat eens erg mooi moest zijn geweest. Veilig…
Knipper.
Uit de spiegel staarden twee groengrijze ogen hem aan. Niet zijn ogen, schoot een vage gedachte hem te binnen. Lieve ogen. Zorgzame ogen. Vertrouwde ogen. Opeens bemerkte hij dat er iemand voor hem op een stoel zat. Lange, donkere haren golfden over haar rug, en al glimlachend draaide ze zich om.
“Is er iets mis?”
Zijn blik bleef even hangen op haar glimlach, voordat hij zich realiseerde dat hij naar haar stond te staren. Wat was haar naam ook alweer?
“Sorry, wat zei je?” Haar glimlach werd nog iets groter.
“Ik vroeg of er iets mis was.”
“O, nee niets, beetje duizelig, dat is alles.”
“Je hebt nooit tegen me kunnen liegen, waarom zou je er nu mee beginnen William?”
Bij het noemen van die naam, die hem op een vreemde manier heel bekend voorkwam, schoot hem opeens ook een naam te binnen.
“Anna…”, bracht William fluisterend uit. Haar ogen keken niet langer vrolijk. Bezorgdheid tekende zich af op het gezicht van de knappe vrouw.
“Je gaat me toch niet vertellen dat je weer weggestuurd wordt?” Zijn hele wezen leek die suggestie belachelijk te vinden, maar om een of andere reden klonk het hem toe als de waarheid. Hij kon het echter niet opbrengen om het haar te zeggen. Aan haar gezicht te zien was dat ook niet nodig. Ze sloeg haar ogen neer.
“Anna, je weet dat ik je niet wil verlaten. Als ik een keus had…”, zei hij, terwijl hij met zijn rechterhand een lok haar uit haar gezicht streelde.
Knipper.
Het doffe oppervlak van de jarenoude spiegel bevond zich weer achter het glas van de tentoonstellingskast. Een gevoel van teleurstelling spoelde door hem heen. Teleurstelling? Dat was wel het laatste dat hij zou moeten voelen. Hij had angst en verwarring op zijn plaats geacht, maar bij nader inzien leek de hele situatie geheel natuurlijk. Behalve dan dat hij nu weer opeens in het museum was. Hij had wel eens iets gelezen over dit soort verschijnselen, maar had ze afgedaan als onzin. Althans, hij had het afgedaan als iets dat hem toch nooit zou overkomen. En nu stond hij hier, en leken al die herinneringen hem voor te komen als iets dat onderdeel van hem was. Herinneringen die hem maakten tot wat hij nu was. In zekere zin was dat misschien ook wel zo.

Een beetje verdoofd begaf hij zich naar de uitgang van de zaal, richting de grote glazen deuren. De groengrijze ogen waren op zijn netvlies gebrand, naast de chaos die de strijd vormde waar hij middenin had gestaan. Verschillende namen die hij niet had mogen kennen, schoten hem te binnen. Hoe meer hij erover dacht, hoe minder weerstand hij tegen de herinneringen bood. Hij stopte met lopen, en een wirwar van beelden schoot hem te binnen. Hij zette een stap. Anna’s lange haren, een flinke snee op zijn rechterarm. Hij liep door. Het bronzen masker, een stervende Henricus, stormachtig weer. Waar was de uitgang? Anna’s aanraking, Anna’s troostende woorden, tranen. Zijn hand sloeg zich om de deurknop. Zijn zwaard en zijn schild, een enorme speer, een gapende wond, een wit licht en groengrijze ogen.

Hij ademde diep in, stond te trillen op zijn benen, en keek strak naar voren. De glazen deur viel achter hem dicht.
“Is alles in orde meneer?”, vroeg de man die hem zijn toegangskaartje had verkocht.
Hij had een standaard antwoord gereed, maar hij dwong zich er even over na te denken. Dat koste hem even wat moeite.
“Ja…ja, eigenlijk is alles goed. Beter, zelfs.”
“Oké, kan ik er van uitgaan dat u de weg vindt naar uw bestemming?”
“Ja, ik denk dat ik mijn bestemming wel zal vinden…”
Met die woorden stapte hij weg uit het museum, de verhelderende buitenlucht in.